Thema
Tijd

Tijd voor emotionele zorg

“We willen wel, maar we hebben er geen tijd voor.” Het is dé verzuchting in de zorg. Daarom staat tijd centraal in het werk van onderzoeker Katrin Gillis (Odisee Hogeschool en UAntwerpen). Alhoewel, eigenlijk gaat het vooral over hoe zorgteams over tijd dénken. “Hoeveel tijd mensen hebben, kan ik niet veranderen. Maar de perceptie van tijd wél. En net die perceptie bepaalt in grote mate hoe de zorg verloopt en welke prioriteiten we stellen.” Met haar team ontwikkelde Katrin de TIMES-route, die zorgteams leert vertragen, tijdspoken benoemen en emotionele zorg structureel inbedden. 

Katrin Gillis leidt het Centre for Health for Older People, een samenwerking tussen het speerpunt ouderenzorg van Odisee Hogeschool en het Centre for Research and Innovation in Care van UAntwerpen. In de praktijk is het team vooral bekend als Odette: een interdisciplinaire groep van verpleegkundigen, psychologen, ergotherapeuten en logopedisten die teams begeleidt in woonzorgcentra, ziekenhuizen, de psychiatrie en de thuiszorg. “We richten ons in de eerste plaats op kwetsbare mensen die hun behoeften moeilijk kunnen communiceren. Wij proberen hen een stem te geven. Want we zien dat ze soms lijden onder de manier waarop de zorg nu georganiseerd is, ook al gebeurt dat met de beste bedoelingen.” 

Gedrag is een taal 

Om kwetsbare doelgroepen te ondersteunen, hanteert het team van Odette een bijzondere aanpak: behoeftegebaseerde zorg. “Dat behoort niet standaard tot het klinisch redeneren van artsen en verpleegkundigen. Zij zijn getraind om verpleegproblemen te zien en die op te lossen. Behoeftegebaseerde zorg helpt je om een stap verder te kijken, naar de onderliggende behoefte. Wat heeft die persoon nodig? Als je daar een antwoord op vindt, heb je niet alleen het verpleegprobleem opgelost, maar doe je ook iets aan de onvervulde behoefte.” 

“Dat vraagt natuurlijk wel wat creativiteit.”

Als de perceptie van tijdsdruk oploopt, vallen emotionele steun en overlegmomenten als eerste weg. Maar net op die momenten kan je als zorgverlener je emoties op tafel leggen en voel je: ik sta er niet alleen voor.

“Een goed voorbeeld zijn gedrags- en gemoedsveranderingen bij mensen met dementie. Die worden hardnekkig toegeschreven aan de ziekte, ook al klopt dat niet helemaal. Door de ziekte worden mensen vaak gedwongen om zich op een bepaalde manier te uiten, maar er zit wel een échte behoefte achter. Dat lijkt misschien een semantisch verschil, maar het is fundamenteel.” 

Wie gedrag leest als de uiting van een behoefte, kan op die behoefte ingaan. Katrin geeft een voorbeeld: “Je hebt een slechte dag. Wat doe je dan? De ene heeft nood aan sport, de andere aan sociaal contact, nog iemand anders wil vooral met rust gelaten worden. Dát moet ik als zorgverlener weten: hoe reguleer jij jezelf? Met die informatie kan ik mijn zorg afstemmen op de persoon die mijn hulp nodig heeft.” 

Katrin bouwt verder op het werk van haar promotor, prof. Dr. Peter Van Bogaert. Hij zette klinische studies op om de effectiviteit te testen van interventies waar geen geneesmiddelen aan te pas komen, zoals het effect van herinneringen ophalen op depressiesymptomen. Katrin voegde daar het luik van afgestemde zorg aan toe. “Vanuit een biomedische insteek zoeken we naar een psychosociale aanpak: we kijken niet alleen naar het medische probleem – bijv. dementie – maar hebben ook aandacht voor de emotionele en psychologische behoeften van die persoon.” 

Tijd als placebo 

Er volgde een grootschalige studie in 24 woonzorgcentra, met 481 bewoners en bijna dubbel zoveel medewerkers. Maar behoeftegebaseerde zorg vraagt om méér te doen in dezelfde tijd – een lastige boodschap in een sector met personeelstekorten. “Dat krijg je niet verkocht. Dus moest ik tijd als placebo meenemen: een controlegroep die evenveel tijd kreeg, zonder dat die inhoudelijk werd ingevuld. We vroegen hen alleen om op te schrijven wat ze deden.” 

Een doos vol tijd 

Het team bundelde al zijn inzichten in de TIMES-route (Time Insights for More Emotional Support), een box waarmee zorgteams tijdens ateliers en intervisiemomenten hun eigen omgang met tijd onder de loep nemen. Ze sporen ‘tijdspakkers’ op: taken die uit gewoonte blijven bestaan zonder nog waarde toe te voegen. Ze benoemen tijdspoken en tijdstijlen. En ze formuleren doelen om emotionele zorg structureel in te bedden. Vijf teams testten de box al uit; de eerste resultaten worden nu geanalyseerd. 

“Mensen zeggen ons vaak: ‘Jullie geven taal aan wat wij ervaren in de zorg.’ Met de TIMES-route willen we inderdaad de dialoog over tijd opentrekken. Maar – en dit laatste inzicht is zeker niet het minste – om er werk van te maken, heb je leiderschap nodig. Waar dat ontbreekt, gebeurt er niets.”

“De timing leek allesbehalve ideaal: de studie liep in 2022, vlak na de vierde coronagolf, toen het ziekteverzuim piekte en iedereen psychisch vermoeid was. Achteraf bekeken was dat goed voor het onderzoek. Als het dán lukt, lukt het altijd.” 

Het resultaat was opvallend: alleen in de groep met behoeftegebaseerde zorg verbeterde het welzijn van de bewoners. Maar ook in de ‘tijdsgroep’ gebeurde iets. “De medewerkers vertraagden. Ze gingen meer in gesprek of besteedden meer tijd aan zorgtaken die ze graag deden, zoals een verwenbad of voetmassage geven. Dat zorgen ligt in het verlengde van wat ze zelf graag doen en vertrekt niet noodzakelijk van wat de bewoner graag heeft. Hetzelfde gebeurde met deelname aan activiteiten. Er werd geen ruimte gemaakt voor individueel afgestemde activiteiten, maar bewoners namen wel meer deel aan het klassieke aanbod van leefactiviteiten of beweging bij de kinesist. Dat had geen effect op de bewoners, maar wel op de zorgverleners. Hun stress daalde, net als in de groep die aan behoeftegebaseerde zorg deed. In tijden van hoge werkdruk is dat toch iets om over na te denken. Dan moet je de argumenten ver gaan zoeken om níét in tijd te investeren.” 

Maria’s en Magdalena’s 

De uitdaging genaamd tijd liet Katrin niet meer los. Haar team – en in het bijzonder Melanie Van Bogaert - dook in interviews, focusgroepen en honderden uren observaties en botste op patronen die elk zorgteam zal herkennen. Zo heeft elke medewerker een professionele ‘tijdstijl’. “De enen houden zich aan de klok en willen dat iedereen de zorg krijgt die nodig is – dat zijn de Maria’s. De anderen verliezen de klok uit het oog en maken tijd voor persoonsgerichte, individuele zorg, ook al staat de afdeling in rep en roer: de Magdalena’s. Die twee kunnen ongelooflijk met elkaar in conflict komen. Maar die variatie in een team is juist goed. Het is belangrijk dat mensen hun tijdstijl kennen. Dan gaan ze erop letten en kunnen verschillen openlijk worden besproken. We hebben oefeningen ontwikkeld waarmee een team dat in kaart kan brengen.” 

Een tweede patroon is het verschil tussen reactief en proactief werken. “In de zorg zie je veel reactief gedrag: er gebeurt iets en we lossen het op. Dat is vermoeiend, want je bent altijd nét te laat: het verdriet of de onrust is er al. Sterke teams werken proactief. Ze weten bijvoorbeeld dat veel bewoners naar buiten willen en voorzien daar dagelijks een moment voor. Of ze zorgen dat een bewoner wekelijks naar het graf van zijn vrouw kan, zodat het verdriet zich niet opstapelt tot het een acuut probleem wordt.” 

Daar komt een tweede as bij: willekeurig versus structureel. “Je kan een gedreven team hebben met mensen die persoonsgericht willen werken, maar of er iets gebeurt, hangt af van wie die dag aan het werk is. Dan raken de geëngageerde mensen op den duur uitgeput, en voor de bewoner is het onvoorspelbaar. Ze kunnen niet rekenen op iets wat voor hen fundamenteel is. Dat weegt zwaar, zeker bij mensen met cognitieve problemen. Goede teams zien wat werkt en maken dat een structureel onderdeel van hun aanpak. Zo weten de bewoners dat ze zullen krijgen wat ze nodig hebben, ongeacht wie er die dag aan het werk is. Die voorspelbaarheid geeft rust.” 

In de zorg zie je veel reactief gedrag: er gebeurt iets en we lossen het op. Dat is vermoeiend, want je bent altijd nét te laat: het verdriet of de onrust is er al.

Katrin geeft een voorbeeld van proactief en structureel werken. “Je merkt dat er iets scheelt bij een bewoner, hij wil bijvoorbeeld niet opstaan. Wat doe je dan als zorgkundige? Waarschijnlijk heb je wel een methode, maar bij de ene bewoner werkt het en bij de andere juist niet. Als team kan je daarop anticiperen door een moodboard bij te houden, waarop je snel kan zien waar een bewoner gevoelig voor is. Waarover kan je een gesprek aanknopen? Hoe wil die persoon benaderd worden? Dat lijkt eenvoudig, maar je moet het wel consequent bijhouden. Dan heb je als zorgverlener een houvast.” 

Spoken op de werkvloer 

Uit de observaties doken ook ‘tijdspoken’ op: goede bedoelingen die contraproductief werken. “Ouderen kunnen onverwacht fysiek snel achteruitgaan en dan is het alle hens aan dek: dokter bellen, interventie nodig ... Terwijl je ook de andere bewoners in bed moet helpen. Uit voorzorg beginnen medewerkers soms extra vroeg aan de avondzorg, ook al is er nog niets aan de hand. Maar dan is er geen tijd voor een bewoner die net wat extra aandacht nodig heeft. Misschien ligt die heel de nacht wakker en is dát de volgende dag wel een probleem.” 

“In de ouderenzorg blijft fysieke zorg altijd bovenaan staan. Wat naar beneden zakt als de perceptie van tijdsdruk oploopt, zijn emotionele steun en structureel overleg. Maar dat is een valkuil. Net op die momenten kan je als zorgverlener je emoties op tafel leggen en voel je: ik sta er niet alleen voor. Wij noemen dat klinische supervisie. Het is een kernelement in het omgaan met tijd en tegelijk het allermoeilijkste om erin te houden.”