Portret van het gezin: wie staat in beeld?
Het kerngezin - mama, papa en twee kinderen - is al lang niet meer de enige norm. Steeds meer kinderen groeien op met een plusouder, in twee huizen, met vier grootouderparen. Kan de wet dat allemaal volgen? Socioloog en demograaf Jan Van Bavel (KU Leuven) brengt twee eeuwen gezinsgeschiedenis in kaart en kijkt vooruit naar de toekomst.
Thuis zijn er mama, papa en jij. Of misschien mama, pluspapa, jij en de nieuwe baby. Of papa de ene week, mama de andere. Of twee mama's. Of grootmoeder die de touwtjes in handen heeft. Wat wij vandaag als een gezin beschouwen, verschilt sterk van hoe mensen er vroeger over dachten. Hoe dat beeld verandert en wat de gevolgen zijn, is het onderzoeksdomein van Jan Van Bavel, hoogleraar demografie en sociologie aan de KU Leuven. Hij begon zijn traject met een doctoraatsonderzoek over gezinnen in de 19de eeuw, richtte zich daarna op de vorige eeuw en bestudeert nu hedendaagse ontwikkelingen en verwachtingen voor de toekomst.
“Mijn onderzoek bestrijkt ondertussen drie verschillende eeuwen. In die periode is er heel veel veranderd, al hebben mensen soms een vertekend beeld van die evolutie. Wie het bijvoorbeeld heeft over het “traditionele gezin” - met moeder aan de haard en vader als kostwinner - verwijst eigenlijk naar een historische uitzondering. Dat is geen eeuwenoude traditie, eerder een kortstondig fenomeen dat piekte rond 1950. Daarvoor werkten veel vrouwen gewoon mee: op de boerderij, in de fabriek, achter de toonbank. Maar vanaf het einde van de 19de eeuw werden vrouwen meer en meer uit de arbeidsmarkt geduwd. Er werden zelfs wetten gemaakt tegen fabrieksarbeid voor vrouwen. Tot halfweg de jaren zestig bestond het burgerlijk ideaal voor de vrouw uit drie K’s: keuken, kerk en kinderen.”
Kinderen als rode draad
“Kinderen waren in de 19de eeuw ook hét criterium om over een gezin te spreken. Vandaag is dat niet meer zo. Als wij nu onderzoek doen, zien we dat mensen bijvoorbeeld ook hun huisdier als een gezinslid kunnen beschouwen. Die geleidelijke evolutie is al zeker twee eeuwen bezig, met een versnelling sinds de jaren tachtig. Kinderen hebben of getrouwd zijn is sindsdien geen noodzakelijke voorwaarde meer. Een homokoppel met een geadopteerd kind zien we nu evengoed als een gezin. Daarom hanteren sociologen geen vaste definitie van een gezin, eerder integendeel: wij bestuderen juist wat mensen als een gezin beschouwen en welke maatschappelijke factoren daar een rol in spelen.”
“Doorheen mijn onderzoek zijn kinderen de rode draad. Sinds het laatste kwart van de 19de eeuw zien we een daling van de geboortecijfers. Dat is een structurele langetermijntrend, al zijn er sterke schommelingen die vaak samenhangen met de conjunctuur. Tijdens de economisch woelige periode tussen de twee wereldoorlogen zagen we bijvoorbeeld een stevige dip. Twintig jaar lang lag het vruchtbaarheidscijfer onder het vervangingsniveau, het aantal kinderen dat nodig is om de bevolking op peil te houden als er geen immigratie zou zijn. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog begon de heropleving, wat later tot de babyboom zou leiden. Die duurde tot midden de jaren zestig, toen de anticonceptiepil op de markt kwam. Dat had meteen een groot effect op het vruchtbaarheidspeil én op het gezinsleven.”
“De combinatie van moderne anticonceptie en een actievere rol van vrouwen op de arbeidsmarkt gaf veel vrouwen meer zelfstandigheid. Daardoor konden zij gemakkelijker uit een ongelukkig huwelijk stappen en een eigen huishouden starten. Je ziet dus vanaf de jaren zestig een versnelde stijging van de echtscheidingscijfers. Maar ook dat was een evolutie die eigenlijk al aan het einde van de 19de eeuw was ingezet.”
Gebrek aan juridisch kader
Met de stijging van het aantal echtscheidingen kwamen ook nieuw samengestelde gezinnen op. Daardoor werd de definitie van een gezin een stuk flexibeler. “Juridisch gezien is dat een uitdaging. In het klassieke kerngezin waren rechten en plichten duidelijk vastgelegd, met onder meer een onderhouds- en zorgplicht. Oorspronkelijk was dat sterk verbonden met het huwelijk, al is dat ondertussen aangepast. Maar welk statuut hebben nieuwe partners, de plusouders, in een nieuw samengesteld gezin? Uit mijn onderzoek blijkt dat zij vaak een grote zorgrol opnemen, zeker bij jonge kinderen. Soms zijn ook plusgrootouders sterk betrokken. Voor al die relaties bestaat vandaag nauwelijks een juridisch kader.”
“Dat leidt al snel tot moeilijke situaties. Momenteel onderzoeken we bijvoorbeeld, samen met het hoofd kindergeneeskunde van het UZ Leuven, hoe medische beslissingen verlopen in zulke gezinnen. Stel dat een minderjarig kind een zware behandeling moet ondergaan. De arts informeert mama en pluspapa en zij geven toestemming. Maar de volgende dag belt de biologische vader om te zeggen dat hij niet akkoord gaat. Juridisch heeft de pluspapa in zo’n situatie niets te zeggen. Zelfs niet als de biologische vader al jaren niet meer in beeld is en de pluspapa altijd voor het kind heeft gezorgd.”
“In sommige landen hebben plusouders wel al een formele stem. Maar het blijft een complexe kwestie, zonder makkelijke antwoorden. De Gezinsbond pleitte ooit voor meer rechten voor plusouders, tot bleek dat daar eigenlijk geen brede maatschappelijke vraag naar was. Want niet iedereen is ervoor te vinden dat de nieuwe partner van een ex juridische erkenning krijgt. Zelfs onder plusouders zijn de meningen erg verdeeld. Bovendien maakt het een groot verschil of ex-partners goed met elkaar overeenkomen of in een vechtscheiding verwikkeld zijn. Vooral in dat laatste geval zou een juridische regeling welkom zijn, maar voorlopig staat dat niet in de steigers.”
Daar doen we het voor
Als ons beeld van het gezin en onze motivatie om eraan te beginnen de voorbije tweehonderd jaar zo sterk veranderd zijn, wat is er dan gebleven? Wat is eigenlijk de essentie van een gezin? “Je gezin is de plaats waar je als gehele persoon met al je grote en kleine kanten meetelt. Onze maatschappij is steeds meer functioneel georganiseerd. Voor verschillende behoeften bestaan specifieke systemen: scholen voor onderwijs, de zorgsector voor gezondheid, bedrijven voor werk … Veel taken die vroeger binnen het gezin gebeurden, zijn overgenomen door gespecialiseerde instellingen. Daar hangen bepaalde rollen aan vast: aan de universiteit ben je bijvoorbeeld een professor of een student.”
“In je gezin moet er ruimte zijn voor alles wat jou als persoon aanbelangt. Daar moet je tegen je partner kunnen klagen over je baas, ook al is dat iets uit de werksfeer. Juist daarom zijn relaties vandaag zo veeleisend geworden. Als je niet meer bij je partner terechtkunt met al je zorgen, waarom zou je dan samenblijven? Dat lag toch anders in een klassiek boerengezin, dat ook een economische eenheid vormde.”
“Het aantal echtscheidingen is toegenomen en dat gaat vaak gepaard met conflicten. Toch mag je dat niet als een eenzijdig negatieve evolutie zien. Conflicten bestonden in het klassieke kerngezin evenzeer, zeker als mensen zich verplicht voelden om in een ongelukkige situatie te blijven. Bovendien zijn conflict en solidariteit geen zero sum game: ze kunnen beide tegelijk toenemen. Een kind in een samengesteld gezin kan bijvoorbeeld terugvallen op een breder ondersteunend netwerk door de toevoeging van plusouders. De situatie is dan complexer, maar de fundamentele functie van het gezin blijft wel overeind.”
Wat brengt de toekomst?
“In mijn huidig onderzoek, met steun van het FWO, kijk ik meer naar de toekomst. Ik bestudeer de link tussen klimaatverandering, woonlocatie en gezinsvorming. Eerder onderzoek toont aan dat verwachtingen voor de toekomst een impact hebben op de kinderwens. Als de economische vooruitzichten slecht zijn, geven mensen vaker aan dat ze geen kinderen willen of hun kinderwens uitstellen. Dat zien we niet alleen in intenties, maar ook in een feitelijke daling van de geboortecijfers. Daarnaast weten we dat huisvesting heel belangrijk is. Zeker in onze cultuur zoek je meestal een eigen thuis voor je aan kinderen begint.”
“Met dit onderzoek wil ik beter begrijpen hoe klimaatverandering de kinderwens beïnvloedt en welke rol huisvesting daarin speelt. We zagen al dat verschillende klimaatscenario’s een effect hebben op hoe mensen over kinderen denken, maar we weten nog niet of dat zich effectief vertaalt naar minder kinderen. Daarnaast onderzoeken we hoe klimaatverandering – bijvoorbeeld in de vorm van extreem weer - de keuze voor een woonplaats beïnvloedt en daarmee ook de gezinsdynamiek. In elk geval kunnen we vruchtbaarheid niet herleiden tot één factor. Verschillende zaken spelen een rol en beïnvloeden elkaar.”
“Net daarom is het voor overheden bijzonder moeilijk om het vruchtbaarheidspeil bij te sturen. In Europa zitten we sinds de jaren zeventig onder het vervangingsniveau en kampen we met vergrijzing. De Hongaarse premier Viktor Orbán heeft veel geld uit de kast gehaald om gezinnen aan te moedigen om meer kinderen te krijgen, maar dat heeft nauwelijks effect gehad. Een kind krijgen verandert je leven ingrijpend, en – zoals het gezegde luidt - het kost een huis. Dat kan een overheid nooit volledig compenseren. Veel effectiever zijn structurele factoren: zorgen voor omstandigheden waarin mensen het haalbaar en aantrekkelijk vinden om kinderen te krijgen. Denk aan kwaliteitsvolle kinderopvang, goede scholen en een gezonde balans tussen werk en privé. Het hoogste vruchtbaarheidspeil van Europa vinden we nog altijd in de Scandinavische landen, die een sterke economie combineren met een gezinsvriendelijk beleid. Maar zelfs daar zien we een dalende trend.”